Schrijfmarathon 2015: Negende stemronde (halve finale)

Op 26 september 2015 ontvingen de vijf resterende deelnemers van de Schrijfmarathon 2015 de volgende opdracht:

Begin jouw verhaal met: Buiten het huisje gierde de wind door het donkere bos.
(Let op: dit MOET de eerste zin van jouw verhaal zijn!)

Maximaal aantal woorden: 1200

De verhalen van de deelnemers zijn anoniem en in willekeurige volgorde geplaatst. Tijdens het stemmen bepaal jij, als lezer, of de schrijvers hebben voldaan aan de opdracht.

Lees alles en stem dan op het verhaal dat je het beste vindt. Je kunt vanaf deze ronde maar op 1 verhaal stemmen.

Deelnemers mogen niet bekend maken welk stuk zij geschreven hebben.

Per persoon mag maar 1 keer gestemd worden.

De stemronde sluit op 23 oktober 2015 om 23.59u.

Bij het bekend maken van de uitslag van deze stemronde, vertellen we ook welk stukje van welke deelnemer is.

Veel leesplezier!

© EWA Nederland


1. Het geheim van Pinkelientje

Buiten het huisje gierde de wind door het donkere bos. Harde rukwinden deden de bomen kraken op hun gewortelde grondvesten. Binnen zaten kabouter Pinkelman en zijn vrouw Pinkelientje behaaglijk bij hun gloeiende kacheltje. Pinkelientje pakte de eikeldopjes waaruit ze net hun brandnetelthee hadden gedronken en liep ermee naar het keukentje om ze opnieuw te vullen.
“Brrr, wat spookt het buiten!” zei ze huiverend. “Wil jij er een hazelnootmuffin bij? Ik heb ze vanmiddag vers gebakken.”
“Hmmmm,” humde Pinkelman afwezig. Hij was helemaal verdiept in een artikel over Scandinavische houtbewerking.
“Ik neem aan dat je “ja” bedoelt?” vroeg Pinkelientje geïrriteerd. Zo ging het de laatste tijd veel vaker. Ze voelde zich verwaarloosd en dat hing haar behoorlijk de keel uit. Ze had al geprobeerd zijn aandacht te trekken door zich demonstratief op de bank te installeren met het boek van kabouter Wiplala: “Spelletjes voor in de bedstee”. Voorheen had ze hier altijd succes mee gehad, maar dit keer had Pinkelman er geen enkele aandacht aan besteed. Hij had zelfs niet gemerkt dat ze al een paar dagen onder haar jurkje geen onderbroekje droeg!
Ze kwakte de thee en de hazelnootmuffin voor hem op tafel en zei: “Ik ga de was binnenhalen.” Kwaad beende ze op haar slofjes van konijnenbont naar buiten.

Buiten worstelde Pinkelientje tegen de wind in naar de waslijn die Pinkelman gemaakt had van twee ineen gedraaide mensenschoenveters waar de was tussen geklemd kon worden. De wind sneed haar adem af. Snel begon ze de kledingstukken van de lijn te halen. Terwijl ze op haar tenen naar een hansopje van Pinkelman reikte, kreeg een windvlaag vat op haar rokje en ontblootte haar perfect gevormde billetjes. De koude luchtstroom tussen haar benen deed haar huid samentrekken en ontlokte haar een kreetje. Toch bleef ze even zo staan, ze vond het eigenlijk wel een fijn gevoel.
Plotseling hoorde Pinkelientje een gesis achter zich dat beslist niet door de wind werd veroorzaakt. Met een bonzend hart draaide ze zich om en stond oog in oog met King-Kieh Venom, de duivelse slang die het kabouterbos in een brute wurggreep hield.
“Wel, wel, wat hebben we hier?” zei King-Kieh lijzig, terwijl Pinkelientje hem vol afgrijzen aanstaarde.
“Weet Pinkelman wel dat jij buiten loopt in je blote billetjes, Pinkelientje?” De slang richtte zijn lijf op zodat zijn kop ter hoogte van haar gezicht kwam. De reptielenogen met de langwerpige pupillen boorden zich in de hare en Pinkelientje werd slap en draaierig. Ze voelde zich vreemd genoeg aangetrokken tot die ogen.
“Ik registreer geile kaboutervrouwtjes op een kilometer afstand en ik weet wel raad met jou, Pinkelientje.” King-Kiehs lispelende stem klonk verraderlijk vriendelijk en bracht haar in een staat van verdoving. Maar ergens in haar brein ging een alarm af. Ze knipperde met haar ogen.
“Nee!” gilde ze, terwijl ze met een aanloop over de slang heen sprong en het op een lopen zette.
“Pinkelman help!” schreeuwde ze zo hard als ze kon, maar haar ijle stemmetje legde het af tegen het natuurgeweld van de wind. Pinkelientje rende zo hard als haar beentjes haar konden dragen. Voortgestuwd door haar angst vlogen haar voetjes over het mos en de bladeren. Scherpe takken zwiepten tegen haar lichaam, scheurden haar jurkje en veroorzaakten rode, bloedende striemen op haar huid. Tranen liepen over haar wangen en ze was helemaal buiten adem. Op dat moment tilde een harde windvlaag haar de lucht in en smakte haar enkele meters verder op haar buik tegen de grond. Door de klap kon Pinkelientje zich even niet bewegen. De geur van natte aarde drong in haar neus. Een fractie van een seconde later gleed het koude, zware slangenlijf van achteren over haar heen, haar tegen de grond drukkend. Ze snikte van angst, maar kon nergens heen.

“Je weet toch dat je niet aan mij kunt ontsnappen, Pinkelientje?” siste King-Kieh in haar oor. Zijn nauwkeurig gecoördineerde staart wurmde zich tussen haar benen.
“Nee, niet doen, laat me gaan!” Met hernieuwde energie vocht ze terug en kneep haar dijen bij elkaar. Maar het puntje van het slangenuiteinde gleed meedogenloos gemakkelijk tussen haar natte schaamlipjes.
“Vecht maar Pinkelientje! Ik hou ervan als je bang bent.” Genietend nam King-Kieh haar angst in zich op.
“Bang en geil, zo geil, want dat ben je hè?” Zijn staart gleed ritmisch over het kloppende, gezwollen knopje tussen haar beentjes. Pinkelientje voelde een warme vochtigheid in haar kruis en onderbuik opkomen die ze nog nooit eerder had gevoeld. Ze raakte in verwarring. Ze wilde niet dat dit walgelijke beest deze gevoelens in haar opriep! Maar hij deed het wel, tot haar grote schaamte en vernedering.
“Je hoeft het niet toe te geven Pinkelientje, ik zal het makkelijk voor je maken.” King-Kieh had zijn lichaam een aantal slagen om haar heen gewikkeld en langzaam kwam ze vaster en vaster in zijn greep te zitten. Haar armen werden tegen haar lichaam geperst en ze kreeg net genoeg lucht in haar longen om niet bewusteloos te raken. Ze kon zich helemaal niet meer bewegen en was compleet machteloos. Benauwd zag ze hoe de gespleten reptielentong uit zijn mond kwam. Het volgende moment gleed deze prikkelend over de strakgespannen, gevoelige tepels van haar kleine borstjes, die vrij lagen. Geil vocht liep langs haar benen. Ze kreunde snikkend en King-Kieh liet een waarderend gesis horen. Zijn staart gleed naar de ingang van haar kutje. Langzaam maar onverbiddelijk penetreerde hij haar, steeds dieper en dieper. Pinkelientje wist niet hoe ze het had. Hij voerde het tempo van de in- en uitgaande beweging op, wat kleine sopgeluidjes tussen haar benen veroorzaakte.
“Jaaa, dat is lekker hè Pinkelientje? Dat voelt vast heel anders dan dat kleine lulletje van die Pinkelman.” Geconcentreerd keek King-Kieh naar Pinkelientjes gezicht terwijl haar ogen wegdraaiden van genot en besloot om er nog een schepje bovenop te doen. Zijn staart gleed uit haar schede en verplaatste zich rondcirkelend naar haar kontgaatje. Haar ogen vlogen in paniek open. King-Kieh duwde zijn kop tussen haar schaamlippen en begon met zijn tong haar clitje stevig te masseren.
“Oooooh!” riep Pinkelientje wanhopig en verhit uit .
“Goed zo, ontspan je.” lispelde de hypnotische stem van King-Kieh terwijl hij het puntje van zijn staart in haar maagdelijke aarsje doopte. Het hongerige genot dat zijn tong rond haar genotsknopje opwekte en de zoete pijn die zijn steeds verder binnendringende staart veroorzaakte, brachten haar langzaam maar zeker naar een niet af te wenden, zinderend hoogtepunt. Haar gekreun ging over in een lange schreeuw toen ze sidderend klaarkwam in King-Kiehs knellende omhelzing.

Voorzichtig legde hij haar neer op de grond en gleed uit haar lichaam. Wankelend kwam Pinkelientje overeind, verward en gegeneerd. In de verte klonk de stem van Pinkelman die haar naam riep.
“Wees gewaarschuwd Pinkelientje,” zei King-Kieh zacht, maar dreigend, “de volgende keer als je in je geile, blote kontje buiten komt, zal ik je weten te vinden.”
Met een laatste zwiep van zijn staart, die nog glansde van haar vocht, draaide hij zich om en gleed zigzaggend tussen de bomen weg. Pinkelientje keek hem na en voelde een verwachtingsvolle kramp in haar onderbuik. Ze slaakte een trillende zucht, fatsoeneerde haar uiterlijk zo goed en zo kwaad als het ging en liep langzaam terug naar het huisje.


2. Onzedelijk taalgebruik

Buiten het huisje gierde de wind door het donkere bos.
De zin staat in keurige krijtletters op het schoolbord. Een klas vol allochtone dames, afkomstig uit een variëteit aan landen en culturen, kijkt ernaar. Ze volgen mijn lessen in de Nederlandse taal nu een maand of drie, als onderdeel van de verplichte inburgeringscursus. Drie dagen in de week, twee lesuren ’s morgens en twee ’s middags. Het lastige deel, spelling en grammatica, doen we tijdens de ochtenduren. Het luchtigere, lezen en spreken, gebeurt na de lunch.

We zijn al even met de les bezig, als ik Fatima verzoek om voor te lezen wat er op het bord staat.
Zij leest het voor, zo goed en zo kwaad het gaat, met een onmiskenbaar, prachtig Turks accent.
“Heel goed. Weet je wat de zin betekent?” vraag ik vervolgens.
Ze komt er niet helemaal uit. Wat ‘gierde’ betekent, moet ik even uitleggen. Als tegensprestatie voor haar poging, mag zij nu zelf een vraag aan de groep stellen. Zij kijkt mij ondeugend aan en vraagt dan: “Hoe maken die Nederlandse mannen liefde?”
Blijkbaar is geen van de vrouwen met een autochtone Nederlander getrouwd, want op een nerveus giecheltje na blijft het stil en word ik hoopvol aangekeken. Ik ben niet echt blue en heb ook in een eerder stadium al verteld dat ze mij van alles mogen vragen. Toch voelt het een beetje tè persoonlijk om de vraag eerlijk te beantwoorden.
“Net als jullie eigen mannen denk ik,” zeg ik, in een luchtige poging er onderuit te komen.
Gelach en geroezemoes vullen even het klaslokaal.
Dan komt Fatima met nog een vraag: “Hoe heet die bij jou?”
Terwijl zij dat vraagt wijst zij ongegeneerd naar mijn kruis. De stemming onder de vrouwen krijgt een nerveuze spanning. Even denk ik over mijn antwoord na, maar dan besluit ik toch om deze keer wèl serieus op de vraag in te gaan.
“Er zijn veel woorden voor, Fatima. Heel veel woorden. Sommige woorden zijn scheldwoorden, niet netjes dus,” waarschuw ik hoofdschuddend. Dan pak ik een krijtje en begin te schrijven; penis, piemel, plasser, fallus en lid. Terwijl ik de woorden opschrijf, spreek ik ze ook uit. Als ik mij weer omdraai, zie ik de vrouwen ijverig meeschrijven.
“Dit zijn dus de nette woorden,” zeg ik erbij, “de volgende woorden zijn niet zo netjes.”
Ik schrijf; lul, pik, paal, stijve, snikkel en tampeloeres. Het laatste woord valt op en er worden verwoede pogingen gedaan om het uit te spreken. Ik moet vreselijk lachen om de uitspraak die sommigen eraan geven. Het maakt hen zelf ook aan het lachen en geeft de hele les een extra luchtig karakter.
“Willen jullie ook weten hoe het bij jullie heet?” vraag ik als de vele stemmen weer wat geluwd zijn.
Er wordt instemmend geknikt. Uit de glinsteringen in hun ogen maak ik op, dat de dames het een bijzonder spannend onderwerp vinden.
Opnieuw neem ik het krijtje ter hand en schrijf de volgende woorden op het bord; vagina, schede en vulva. Als ik weer omkijk zie ik een lichte teleurstelling op sommige gezichten. Blijkbaar had men op meer woorden gerekend. Zonder er iets over te zeggen schijf ik er de volgende woorden onder; spleet, kut, doos, flamoes, gleuf, poes, pruim en snee. Als ze ‘poes’ lezen, vallen er een paar bijna van hun stoel van het lachen.
Hoewel het merendeel van de vrouwen al lang moeder is, of zeker had kunnen zijn, is het net of ik een klas tienermeisjes voor mij heb. Er wordt druk onderling gepraat en gegiecheld. Hoewel een aantal van hen een onmiskenbaar donkere huidskleur hebben, zie ik dat meer dan de helft van mijn leerlingen ondertussen toch op zijn minst rode konen heeft gekregen.
“En hoe heet making love?” vraagt Maleka, een Ghanese met een prachtige diepbruine huid.
Die vraag wordt, ondanks het stukje Engels, door iedereen begrepen en weer is het gegiechel niet van de lucht.
Mijn: “Dames!” laat de gemoederen weer een beetje bedaren.
“Oké… jullie willen het weten?”
Instemmend geknik valt mij ten deel.
Ik moet er even over nadenken, maar dan komen de volgende woorden toch op het schoolbord te staan; vrijen, beminnen, geslachtsgemeenschap hebben, met elkaar naar bed gaan, seksen en liefhebben.
De meesten vinden ‘geslachtsgemeenschap hebben’ een te lange combinatie, ze proberen het niet eens over te schrijven, laat staan uit te spreken, merk ik. ‘Met elkaar naar bed gaan’ wordt gemakkelijker uitgesproken en iedereen snapt de dubbele betekenis ook meteen. Weer zeg ik erbij dat dit nette woorden zijn, maar dat er ook minder nette woorden zijn. En ja, ook die willen deze ginnegappende volwassen pubers weten natuurlijk.
Ik schijf; neuken, naaien, wippen, kezen, ketsen en van bil gaan, op. Ergens heb ik nog wel weet van meer termen, maar ze schieten mij nu even niet te binnen.
“Zeg dus niet tegen je man, ik wil neuken met jou, maar zeg netjes, ik wil vrijen met jou,” waarschuw ik de dames met een opgestoken vinger. Er wordt breeduit gelachen om mijn opmerking.
Omdat het einde van de les nadert, benoem ik alle woorden die ik opgeschreven heb nog een keer, vlak voordat ik ze uitveeg. In koor proberen ze de woorden tegelijk met mij uit te spreken.
Ik vind het mooi geweest en besluit de les met het herhalen van de huiswerkopgave voor de volgende keer. Deze les zal hen nog lang heugen, vermoed ik. Zelden heb ik namelijk meegemaakt dat de lesstof zo druk onderling nabesproken wordt, terwijl zij het klaslokaal verlaten en de gang in lopen. Schatergelach vermengt zich met hoge stemmen, die woorden als kut, lul en neuken door de lange holle ruimte laten echoën.

Ik pak mijn tas en loop met een brede grijns op mijn gezicht achter hen aan de gang in, waar ik twee keurig in kostuum gestoken heren aantref. Beiden staan met open mond de kleurrijke, lawaaierige, stoet uitheemse dames na te kijken. Ik herken het hoofd van de school, de ander man niet, maar wens de heren in het voorbijgaan toch gewoon een fijne avond.
Dan schiet mij opeens iets te binnen…
O ja, hij zou vandaag bezoek krijgen van de onderwijsinspecteur, naar aanleiding van dat incident over onzedelijk taalgebruik op school…


3. Walpurgisnacht

Buiten het huisje gierde de wind door het donkere bos. Het was Walpurgisnacht, weet je het nog? Ik heb geen idee wat je toen bewoog om door dit eeuwenoude woud te rijden. Misschien wilde je een afkorting nemen, voortgejaagd door de storm en het onweer. Misschien was je verdwaald. Je had gewaarschuwd moeten zijn, je had nooit moeten komen. Je had weg moeten blijven van deze plek die de dorpelingen mijden als de pest, die ze misbruiken om hun kinderen de betekenis van angst te leren. Wat de kerk is voor God, is dit huisje voor de duivel, dat hadden ze je toch wel verteld? Nu hoor ik ze in het oosten, ik ruik de angst die ze hierheen drijft, ik voel hun zoektocht naar een schuldige en hun honger naar bloed. De opgehitste meute die vreest wat ze niet kent. Je had nooit moeten komen, maar nu ze me komen halen, ben ik blij dat je er was.

De wolken zeilden die nacht als donkere luchtschepen langs de fletse maan. Ze kondigden je komst aan. Dat weet jij niet meer, maar ik heb het gezien, tussen de boomtoppen die onstuimig door de wind heen en weer werden gebogen. Ik herinner me de inslag van de bliksem en het geluid van het brekende hout. Ik weet nog dat ik naar buiten rende en je daar zag liggen, buiten bewustzijn, naast je paard, onder een geknakte en verschroeide eik. Ik heb geknield aan je zijde gezeten, ik weet niet hoelang. Ik keek naar je terwijl de regen over mijn gezicht stroomde, en toen de wind me tot op het bot had verkleumd verwarmde ik mijn hart aan de zachtmoedige trekken van je gelaat. De gapende wond aan je schouder leek je niet te deren, bijna vredig lag je daar in de modder en het natte vuil, een engel met een gebroken vleugel. Niemand komt hier ooit, dit bos en mijn oude boeken geven me wat ik nodig heb om te leven, wat moest jij dan hier?

De wondkoorts teisterde je meer dan een week. Ik heb voor je gezorgd, ik heb je uitgekleed, aan je bed gezeten, het zweet van je gezicht geveegd. Ik heb je zien vechten, in de peilloze schemer van het slagveld tussen leven en dood en soms dacht ik dat je het niet zou halen. Toen je koorts daalde en je voor het eerst je ogen opende was ik zo blij als een kind. Wanneer je dit leest en ik er niet meer zal zijn, weet dan dat het Boek waarvoor ze mij straks zullen laten branden jouw leven heeft gered. Alles wat ik wist van heilzame kruiden, van heiligenbloem en vrouwenmantel, heb ik aangewend om je te genezen, en alles wat ik wist had het Boek me geleerd. Weet je het nog? Het draagt een pentagram op de kaft, waarvan je zo schrok toen je nog wankel op je benen stond en het voor het eerst zag. Het Boek dat je nu in je handen hebt, samen met deze brief.

Wat was het, dat je toch deed blijven, die dagen na je herstel? Voelde je het als een morele plicht of deed je het uit dankbaarheid? Het was meer dan dat, ik weet het. Alle vrouwen voelen zulke dingen, niet alleen zij die zich afzonderen om samen met de natuur en de elementen te zijn. Er was geen inlossing van schuld in de overtuiging waarmee je me bij je nam, geen verplichting in de manier waarop je me ontkleedde, geen boetedoening toen je zachte handen mijn naakte lichaam verkenden. Ik had geen bezwering over je uitgesproken, en toch wilde je me, nam je me, soms zacht, soms als een bezetene. Weet je het nog? Hoe je in me wilde en in me wilde blijven, steeds weer, en hoe mijn lichaam je verwelkomde, steeds opnieuw en met een groeiende gulzigheid waaraan jij noch ik weerstand wilden bieden. Je sprak een betovering over mij uit, niet andersom. We waren ongeduldig en nieuwsgierig, we waren aarde, water, lucht, en vuur verenigd in twee lichamen. Waar iedereen altijd angstvallig uit mijn buurt bleef wilde jij juist dichtbij me zijn en zocht je mij, mijn mond, mijn huid, mijn lichaam, mijn leven, alsof er geen verleden en geen toekomst was, alsof de hemel ook voor mij was bestemd, alsof niemand me ooit met walging had nageroepen: heks!

Eén keer heb ik je vervloekt, en je wist dat ik dat zou doen. Het was de dag waarop ik ontwaakte en je plek in ons bed verlaten vond. De zoon van een belangrijk man heeft dringende zaken te doen die te maken hebben met geld, eer, bezit, land, en oorlog; dat weet ik. Het zijn dingen die ik nauwelijks ken en waaraan ik geen belang hecht. Ik had kunnen weten dat je niet zou blijven maar ik was verblind door het licht dat je in mijn hart liet schijnen. Wees gerust, iedere vloek, ook de mijne, doorziet degene die hem oplegt en is krachteloos wanneer hij niet uit haat, maar uit liefdevol gemis wordt uitgesproken. En mijn liefde voor jou was groot, groter dan je ooit zult weten.

Het is tijd nu. Door het raam zie ik hoe de oranje gloed van hun toortsen feller wordt en dichterbij komt, en ik hoor hun aanzwellende geschreeuw. Een mislukte oogst, een miskraam, de plotselinge en onverklaarbare dood van een familielid; de onwetenden weten slechts één ding en dat is dat iemand zal moeten boeten voor de rampspoed die over hen komt. Ze kopen hun vertoornde zielen af met een offer, en dit keer ben ik dat. Domheid en haat voeden het vuur van de brandstapel die ze voor me zullen oprichten. Ik ben niet bang voor de dood, liefste. Wat me angst inboezemt is de boosaardigheid die ik hun ogen zie, de meedogenloosheid waarmee ze zonder te denken een oordeel opleggen en een vonnis uitspreken over een vrouw die afwijkt, hoe ze spugen op een mensenkind dat anders is. Toen ik naast je knielde die nacht, en je nog geen woord had gesproken, wist ik dat jij anders zou zijn. Ik heb me niet vergist, en daar ben ik dankbaar voor.

Om één laatste gunst smeek ik je. Wees zachtmoedig en zorg voor het meisje dat je deze brief en het Boek bezorgt. Haar zwarte haar is van mij, maar ze heeft jouw ogen.

We hielden van elkaar, ik weet het nog. Vaarwel.


4. Amore Ardente

Buiten het huisje gierde de wind door het donkere bos. Ik was hier nooit eerder geweest – vader had het me altijd verboden op onze zwerftochten. Maar als de nieuwe boswachter zette ik me daar overheen en ik worstelde het dichtbegroeide pad op, speurend naar gevaarlijk los hout vanwege de opkomende storm. Toen ik geklapper hoorde dacht ik eerst dat het takken waren, maar het bleken loshangende luiken van dit verwaarloosde boshuisje te zijn. Niet alleen de luiken hingen los en scheef, er ontbraken dakpannen en ik zag dat de schoorsteen verstopt zat met herfstbladeren. Groezelige vitrage wapperde door gebroken ramen naar buiten – als een smekend vredesteken aan de tergende wind.

Ik vond het zonde van wat ooit een idyllisch schuiloord moet zijn geweest. Het werd omringd door wildgroeiende rozenstruiken – nu in de vroege herfst met vergane bloemen. Mos en paddenstoelen overwoekerden de voordeur. “Op bezoek bij Hans en Grietje of de Oma van Roodkapje”, grapte ik bij mezelf. Ik wilde schuilen tegen de aanzwellende wind en de eerste regendruppels die ik tegen mijn huid voelde spatten. De deur kraakte minzaam en ging met moeite open – kennelijk blokkeerde iets de deur aan de binnenzijde. Met mijn schouders zette ik flink kracht en ik tuimelde voorover.
Een penetrante lucht drong mijn neusgaten binnen – een geurmengsel van vergaan voedsel, rotte bladeren en verstikkende levenloosheid. Stapels kranten, volle vuilniszakken en allerlei ondefinieerbare rotzooi vormden de barricade. Een enorme hoosbui barstte los en aangezien ik geen zin had nat te worden, stapte ik aarzelend over de bende heen naar binnen.

Eenmaal gewend aan het schemerduister werd ik overdonderd door een prachtig gedekte dis temidden van deze chaos. Een nostalgisch eiland in een zee van puinhoop, met een ronde tafel in het centrum. Er lag een damasten tafelkleed overheen, ooit wit geweest maar nu doordrenkt van muizenpis, slakkensporen en schimmels. Er liep een lokspoor van verdorde rozenblaadjes naar de achterkant van het huisje – waarschijnlijk naar de slaapkamer. Ik werd nieuwsgierig, wie zou dit zo hebben neergelegd? De deur van de betreffende kamer stond open en om de hoek kijkend, slaakte ik een kreet van ontzetting: op het bed lag een vrouwenlichaam! Ik wist direct dat ze niet meer leefde – haar ontblootte benen en armen, rond een kussen gevouwen alsof ze het omhelsde, waren zo spierwit dat er onmogelijk nog bloed door haar aderen kon stromen. Ze kon niet lang dood zijn – ik zag geen spoor van ontbinding.

Haar rosse haren vormden één samengeklonterde klit – er zaten zelfs takjes in. Zwarte randjes ontsierden haar lange, brokkelige vingernagels. Ze had iets aan dat op een negligé leek, maar het zat zo onder de urinevlekken en opgedroogd menstruatiebloed dat het bijna niet herkenbaar was.
Mijn braakneigingen ebden pas weg toen ik door de klittenbos haar gezicht zag doorschemeren. Tussen zwarte vegen op haar wangen liepen blanke traanvores. De schoongehuilde huid was zo wit – zo glad! De aanblik van dat zweempje engelachtige huid overwon mijn weerzin en ik streek voorzichtig met de punt van een pen het haar uit haar gezicht, haar geopende heldergroene ogen ontblotend. Ze keek duidelijk naar iets en de loodlijn vanuit haar blik volgend zag ik een notitieboekje op het vastgeklemde kussen liggen. De kaft was van kaal en beduimeld fluweel. Onweerstaanbaar aangetrokken pakte ik het boekje en sloeg het open. Op de eerste bladzijde zag ik een delicaat handschrift, het papier zonder lijntjes maar kaarsrecht en dicht opeen beschreven, de ruimte van de bladzijden tot het uiterste benut. Ademloos las ik de eerste woorden:

‘Ik heb de hele avond op je gewacht mijn liefste. Waar was je? Kon je niet wegkomen thuis? Na al die jaren weet ik hoe het is, maar toch was het vreselijk. Ik had me zo mooi aangekleed voor je, Kip a la Orange voor je gemaakt – Händels ‘Ariodante’ voor je opgezet. De hele dag heb ik aan je gedacht. Hoe je mij zou vastgrijpen bij binnenkomst, hoe je mij zou kussen en zou zeggen waar je mij zou nemen, hoe ik op mijn knieën zou gaan om je in mijn mond te nemen. Ik fantaseerde hoe je handen onder mijn witte negligé verdwenen en mijn smachtende lippen daar streelden. Maar je was er niet. Ik vergeef het je. Ik wacht op je, als altijd.’

De zorgvuldig geschreven letters resoneerden in mijn borstkast, mijn bloeddruk steeg door de schaamte over mijn inbreuk op haar privacy…maar ik kon het niet dichtslaan, haar elegante schrijfselen trokken mij haar herinneringen binnen.

‘Ik huilde mijzelf in slaap. Ik weet dat je komt als je kunt, dus ik blijf hier. 25 jaar geef ik niet op, nooit! Niemand anders heeft me ooit bemind dan jij. Geen andere mannenhuid heeft mij gestreeld dan jouw huid, geen vinger mij beroerd dan die van jou. Oh, je handen, je prachtige ruwe handen. Zo sterk en mannelijk. Ik droom ervan mijn lief. Hoe ze mij liefkozen, hoe ze mijn huid openen, hoe ze zich dwingend tussen mijn benen dringen en mij kreunend en vochtig laten komen. God weet hoezeer ik naar je verlang – zelfs al is het een zonde.’

Ik bladerde verder, met het rood op mijn kaken. Wat een liefde, wat een passie! En dat in een buitenechtelijke relatie die al 25 jaar duurde….

‘Mijn mooie man. Ja, mijn man, zo noem ik je. Want al dragen wij geen ringen, je bent mijn man vanaf het begin, zonder twijfel. Daarom heb ik besloten hier te blijven. Ik wacht op jou, al wacht niemand op mij. Maar ik weet dat je mij niet vergeet en uiteindelijk weer terugkeert naar onze haven van liefde en lust hier in het donkere bos. Ik vul mijn dagen met onze herinneringen. Weet je nog hoe je mij de eerste keer nam toen je mij hier vond? Dat je me mijn brutale mond snoerde met je kussen, me omdraaide, mijn rok omhoog schoof en met mijn billen over rand van het bed legde? Ik denk er nog zo vaak aan – hoe je in mij kwam en wij bezeten door geilheid de liefde bedreven, hoe je krachtig en schreeuwend in mij klaarkwam, hoe je mij leerde hoe ik mezelf moest bevredigen. Je leerde mij de liefde. We waren allebei uitgehongerd, jij door een seksloos huwelijk na de geboorte van je zoon, ik omdat ik te lang nog maagd was. Ik vergeet het nooit meer, zie die scene als een film voor me, nu ik hier in de voorjaarszon – mijzelf strelend met de gedachte aan jou – op je wacht.’

Het deed pijn dit te lezen, ik kon niet geloven dat deze tragische schoonheid hier een jaar lang op hem had zitten wachten. Welke zinnige man verliet zo’n prachtige vrouw na 25 jaar, zo wreed, zonder iets te laten horen? Ik wilde nu het einde weten, wat ze voor het laatst geschreven had. De datum bleek van gisteren, precies een jaar na de eerste bladzijde.

‘Ik voel de toverdraden van ons leven dunner worden, tot ze als fijn spinrag door de wind zullen worden losgeblazen. Ik weet dat wij in de hemel elkaar weer beminnen. Vaarwel, mijn Johan’

Johan, de naam die ik droeg en die ik, net als zijn boswachtersbaan, van mijn vader had overgenomen. Gisteren was het zijn sterfdag, precies een jaar geleden.


5. Heer wind

Buiten het huisje gierde de wind door het donkere bos. Als een woedende reus raasde hij tussen de bomen en liet hun takken kraken en hun bladeren ruisen. Een enkele boom bezweek haast sidderend onder de beukende kracht, maar de wind had zich vergist in de veerkracht van de oude eiken. Zo nu en dan leek de reus moe en ging hij liggen achter de duinen, tot hij weer voldoende energie had om zijn zoektocht te vervolgen. Het huisje deed zijn best om zich te verstoppen voor de krachtige wind en dook weg onder het rieten dak om niet opgemerkt te worden.

De herfstbladeren kwamen met hoge snelheid over het smalle zandpad op de deur van het huisje afgestoven. Opgejaagd door de wind maakten ze vlak voor het huisje een omtrekkende beweging om een bedje te vormen in de hoek bij het schuurtje. Ook al was het huisje goed verstopt in het bos, de wind wist het te vinden en rammelde aan de ramen en deuren. In een poging om Ilse naar buiten te lokken, floot hij zelfs in een langgerekte huil door de kieren van het oude huisje.

Zuchtend trok Ilse haar zwarte lange jas aan. Ze wist dat hij haar niet met rust zou laten. ’s Zomers, als de zon brandde op de duinpannen, was de wind ontspannen en speelde hij met de vogels in de lucht en met de kinderen op het strand. Maar vooral blies hij dan zijn warme adem langs de blote benen van Ilse, als ze in haar jurkje naar de stad fietste. Heer wind wist hoe hij met haar moest spelen. De warme zomerbries door haar haren wond haar op. Soms, als ze in een goede bui was, liet ze heer wind zelfs met haar ontblote borstjes spelen. Dan knoopte ze haar bloesje los om de warme luchtstroom langs haar harde tepels te voelen. Ze hield van heer wind en hij ook van haar.

De herfst maakte heer wind ongedurig. Hij was boos dat Ilse zich schuil hield in haar huisje en haar wulpse jonge meisjeslichaam voor hem verborgen hield. Ze sloeg de capuchon over haar hoofd en haalde nog een keer diep adem voor ze de deur voorzichtig opende. Ongeduldig perste de wind zich gierend door de kier naar binnen. Met alle macht hield Ilse de deur vast, maar ze kon niet voorkomen dat de kamer vrijwel direct vol kwaaie valse wind stond, die er een werveling van papieren veroorzaakte, een lamp deed omvallen en stoelen deed verschuiven.

“Nee!”, schreeuwde Ilse. “Naar buiten jij!” En ze trok de deur met een ruk achter zich dicht. Met stevige passen probeerde ze de wind voor te blijven op het zandpad, maar hij haalde haar al snel in. Opgewonden probeerde hij haar rok omhoog te trekken. Dat zou misschien lukken bij stadmeisjes, die niet gewend zijn aan zijn onvoorspelbare kracht en zich daarom laten verrassen door zijn opgewonden brutaliteiten. Maar Ilse was er op bedacht. Behendig wreef ze de lucht onder haar rok vandaan en vervolgde haar pas, recht tegen de wind in naar de duinen.
Takken sloegen tegen haar lichaam, bladeren vlogen tegen haar gezicht en het zand schuurde langs haar benen. De wind haalde alles uit de kast om haar tegen te houden. Hij rukte zelfs aan haar kleren en blies haar capuchon van haar hoofd om met haar haren te spelen. Twee handen waren er voor nodig om haar jas op zijn plaats te houden. De kortere weg die Ilse besloot te nemen was in de zomer haast dichtgegroeid. De bramenstruiken hadden haar pas nog gevoed met hun heerlijke zoetigheid, maar waren nu bevriend met de wind. Hun doornen probeerden Ilse uit alle macht staande te houden. Ze krasten diep in haar huid tot het bloed langs haar benen liep. Het deerde Ilse niet. Zelfs toen een tak van een vlierstruik haar jas vastgreep, bevrijdde Ilse zich met een ruk, waardoor de stof luid kreunend scheurde.

Het konijnenpaadje leidde Ilse naar de duinpan waar zij ’s zomers heer wind met haar ontluikende borstjes liet spelen. Ongedurig begon de wind om haar heen te cirkelen. Ilse strekte haar armen en stak ze in een theatrale beweging traag tot hoog in de lucht. Ineens was het stil, maar vertrouwen kon je heer wind niet. De helmstengels wreven nerveus langs elkaar, nieuwsgierig naar zijn volgende zet.

De stilte duurde maar kort, want nadat de storm even adem had geschept, bulderde hij met dubbel nijdig geblaas vanuit het niets en probeerde Ilses rok over haar hoofd te lichten. Dat zal je net zien! Van de wind, al was ze maar zeventien jaar, had ze verstand. De wind had streken, die je moest kennen. Geen ogenblik kon je hem vertrouwen, zo’n stiekemerd! Ja, als je een stadskind was! Die hadden daar zo geen verstand van, die waren op zo’n uitval niet bedacht. Maar als je in het bos aan zee woonde, dan wist je wel beter.

Toch liet Ilse de wind begaan en voor ze het wist, had hij haar rokje opgetild. Opgewonden draaide de wind steeds sneller om Ilse, die haar benen wat uit elkaar zette om hem toegang te geven tot datgene waar hij al jaren op uit was. Ze wist het. Nu was het zover. Met een korte ruk trok ze de knoopjes van haar bodystocking los, waardoor ze direct de koelte van zijn adem langs haar vochtige streken voelde strelen.

“Toe maar”, fluisterde ze, “Neem me.”
De werveling van de lucht bracht Ilse uit evenwicht, maar het zachte duinzand dempte haar val. Ze grijnsde.
“Je laat er geen gras over groeien, hè ouwe jongen?”

Haar beide handen trokken de lipjes van haar maagdelijke vrouwelijkheid uiteen en met een zucht woei een vlaag tussen haar benen. Ondanks haar jonge leeftijd, wist Ilse best wat mannen beliefde. Ze had het gehoord op de feestjes en gezien in de stal. En ze wist van haar gevoeligste plekje, dat ze vaak onder de dekens in haar bed had betast. Maar nu, vanavond, was het voor het eerst dat de wind haar daar mocht proeven.
Bruut wreef hij het duinzand langs haar lichaam en hij sloeg haar zelfs met de riem van haar jas een paar maal hard tegen de binnenkant van haar bovenbenen. Met een duivelse bezetenheid nam de kracht van de wind toe. Hij draaide en sloeg, wreef en zoog. Nog niet eerder was Ilse zo opgewonden. Zelfs niet die keer dat ze stiekem had staan gluren naar de staljongen die ferm zijn zaad uit zichzelf had getrokken. Met de benen zo ver mogelijk gespreid kantelde Ilse haar bekken om de wind nog beter toegang te geven. Alles wat de wind kon vinden wreef hij tegen haar aan. Het schuren dreef haar tot waanzin, tot Ilse schokkend kronkelde in het zand van de duinpan.

De onvrijwillige spasmen trokken langzaam uit haar lijf en tegelijk nam de kracht van de wind af. Een paar druppels vielen op haar huid. Eerst waren ze klein, maar daarna werden ze groter en kwamen ze met meer, tot haar haren aan haar wang kleefden en haar jas doorweekt was. In die troostende regen nam ze afscheid van heer wind en haastte ze zich weer terug naar huis.


9 thoughts on “Schrijfmarathon 2015: Negende stemronde (halve finale)

  1. nickje says:

    Wat vreselijk moeilijk kiezen dit keer! Eerlijk gezegd… ik vind alle verhalen goed geschreven. Sommigen gelezen met een glimlach, sommigen vond ik ronduit ontroerend.
    Vreselijk dat ik er maar 1 mocht kiezen.
    Maar het is gelukt.
    Met moeite.

    Alle schrijvers, petje af!

  2. Ik ben onder de indruk van de inzendingen deze ronde. Het zal mij benieuwen wie volgens de stemmers het beste verhaal heeft geschreven.

    Dit is mijn feedback op de verhalen:
    1. Pinkelientje: Een prachtig sprookje en een erg inventief gevonden naam van de slechterik. Geweld en angst zijn hoofdingrediënten van elk sprookje en ik heb van dit verhaal genoten. Ik miste een beetje het ‘en ze leefden nog lang en gelukkig’ gevoel aan het einde, maar verder was het helemaal af.
    2. Onzedelijk taalgebruik: Technisch gezien heb je je aan de opdracht gehouden. Het is als je het mij vraagt geen erotisch verhaal. Het verrassende einde maakt het wel leuk en het is erg beeldend geschreven. Ik kon me goed voorstellen hoe zo’n les er aan toe zou gaan.
    3. Walpurgisnacht: Heel poëtisch en complex, maar ook mooi en sprookjesachtig. Ik heb even ‘walpurgisnacht’ gegooglet en dat maakte veel duidelijk. Ik hou van de manier waarop je met taal speelt.
    4. Amore ardente: Persoonlijk vond ik dit het minst geslaagde verhaal. Ik zag de clou al van mijlenver aankomen. Het gegeven is erg poëtisch en romantisch, maar aan de andere kant ook dermate onrealistisch dat ik er geen beelden bij kreeg. Verder wel goed geschreven!
    5. Heer wind: Die is van mezelf. Ik ben benieuwd wat jullie er van vonden.

  3. Beste laatste vijf,

    Het niveau is hoogstaand en jullie zijn met deze opdracht duidelijk weer op scherp gezet.

    Met veel plezier gelezen, maar met pijn in het hart moeten kiezen tussen twee mooie, zwaar ontroerende verhalen. Na tal van eliminatie-trucjes toch maar met mijn verstand en gevoel gekozen.

    Rolf van der Leest

  4. Eriksy says:

    Ik moest eerst nog denken waar moet dat heen met die pinkelientje op haar slofjes, maar hij was wel geil! Toch gekozen voor het sensuele spel van de wind.

  5. Vooraf: de verhalen zijn allemaal goed. Ik heb de stellige indruk dat de schrijvers hun eigen ding doen, hun eigen keuzes maken, trouw zijn aan hun eigen stijl en schrijven wat zij willen schrijven. Dat is heel goed want authenticiteit en diversiteit van de creaties is veel beter dan een gepolijste eenheidsworst om de lezer te plezieren en stemmen te genereren. Meer en meer komt het in deze fase dus aan op details en op de smaak van het publiek, en over dat laatste valt, zoals bekend, nauwelijks te twisten. En te bepalen of de schrijvers in hun creatieve eigengereidheid binnen de kaders van de opdracht zijn gebleven, daartoe is de lezer prima in staat.
    Hieronder mijn feedback op de verhalen, gebaseerd op mijn persoonlijke smaak, met een groot compliment en collegiale buiging voor mijn medeschrijvers.

    Nummer 1: Ik had eigenlijk verwacht dat King-Kieh, voordat hij in het bos verdween, Pinkelientje met zijn staart nog een een pets op haar billetjes zou hebben verkocht… Het verhaal is goed en met vaart geschreven, een soort ‘Genesis (Eva en de verleidende slang) meets Paulus de Boskabouter (‘een artikel over Scandinavische houtbewerking’ (geweldig!))’. Ook bij kabouters komen verdorde relaties voor en dat vind ik in het begin van het verhaal heel mooi lichtvoetig en met subtiele humor beschreven. De verhaallijn had wat mij betreft wat verrassender wendingen en dito afronding mogen kennen.

    Nummer 2: Een buitenbeentje, gedurfd in deze fase van de competitie. De verplichte zin wordt heel snel en handig overboord gekieperd en dan volgt een originele invulling van de opdracht die zich in een heel actuele, dagdagelijkse setting afspeelt (en die daarin afwijkt van de overige verhalen). Vlot en goed geschreven, de giechelige sfeer is heel invoelbaar en het verhaal onderstreept dat de belangstelling voor seks van alle culturen is. Ik sta zelf wel eens bloot aan de kritiek dat ik te weinig erotiek in mijn verhalen verweef, en ik ben kennelijk niet de enige want in dit verhaal is het zinnelijke evenmin heel prominent. Daarmee neemt de schrijver een risico in de wedstrijd, maar hij/zij verdient ook hulde voor zijn/haar eigen(zinnige) invulling.

    Nummer 4: Een prachtig verhaal, als het bestond zou het genre ‘pastoraal-gothic’ hier van toepassing zijn. Wat werkt er zo goed? Het schrille contrast tussen schoonheid en verval, tussen liefde en dood, gecompleteerd met een verrassend plot. De sfeerbeschrijving is gedetailleerd en zorgvuldig, en ook daarin gaat de schrijver de tegenstellingen tussen mooi (Händel, rozenblaadjes, damast) en lelijk (urine, schimmel, braken) niet uit de weg. Spannend geschreven en met een paar juweeltjes van zinnen (‘toverdraden die als spinrag door de wind zullen worden losgeblazen’). Een enkele taalfout (‘ontblootte’ in plaats van ‘ontblote’, ‘borstkast’ in plaats van ‘borstkas’) zij de auteur vergeven. Een juweeltje.

    Nummer 5: Ik vind de uitdaging en de spanning tussen Ilse en Heer Wind heel mooi beschreven. Hij wil haar, maar zij biedt weerstand en bepaalt zelf wat er gebeurt; ze geniet van hem, maar houdt hem ook op een afstand – tot ze zelf besluit zich volledig te geven. Er is een balans in hun relatie, een evenwicht tussen mens en natuur. Heer Wind spreekt niet, is alleen aanwezig in de dingen die hij in beweging brengt, maar toch heeft de schrijver hem een karakter gegeven en er een bijna menselijk personage van gemaakt: heel knap gedaan. Ook hier vind ik dat de verhaallijn wat meer verdieping en afronding had verdragen, maar je krijgt als lezer zeker zin in een dagje Bosch en Duin.

    Groet, Mahotsukai

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *