Gastbericht: De zwaartekracht helpt niet mee

Dit verhaal bevat heftige scenes

De zwaartekracht helpt niet mee

Wat hij gezien had, stond Mateus nog helder voor ogen. Geluiden uit de richting van de ouderslaapkamer hadden zijn aandacht getrokken. Gepiep en gekraak hadden hem angst aangejaagd. In zijn eentje had hij het niet aangedurfd om te gaan kijken zodat hij op zijn tenen naar de kamer van broer Hennie was geslopen om hem te halen. Samen hadden ze door een kier van de gedeeltelijk openstaande deur naar binnen gegluurd. In het weke licht van de bedverlichting hadden ze net kunnen zien wat zich afspeelde.

De moedervlekken hadden de man op bed verraden. Een ogenblik had Mateus gedacht dat hun moeder de vrouw was die met de rug naar hen toe op zijn hoofd zat. Hennie had snel een einde aan dat idee gemaakt. Het gezicht van hun vader had tussen de in kousen gehulde benen van een onbekende brunette verborgen gezeten.

“Ik weet wat je denkt; ik heb het eerst ook gedacht. Het is ma niet, zei Hennie.

‘’Misschien spelen ze zoals op internet een rollenspel. Ze kan een pruik op hebben. Of ze is vanmorgen naar de kapper geweest,’’ had Mateus tegen beter weten in gefluisterd.

‘’Dat heb ik na de eerste schrik ook gedacht, maar het is niet zo,” had Hennie geantwoord. De laatste hoop van Mateus was opgelost op het moment dat hij gezien had dat de onbekende een enkelkettinkje droeg. Geagiteerd had Hennie gefluisterd dat hij al een tijdje vermoedde dat die hufter vreemd ging maar dat hij niet gedacht had dat hij zijn minnares mee naar huis zou nemen. Hennie had Mateus bij de arm gepakt en naar zijn kamer gesleept. Daar had hij hem verteld wat hem de laatste tijd opgevallen was. Nu hij zeker wist dat hij het bij het rechte eind had, kon hij zijn plan uitvoeren. Hennie had, vlak voor het moment dat het gepiep en gekraak plaats hadden gemaakt voor soppende geluiden, uitgelegd dat hij hulp nodig had om de bitch te laten boeten.

‘’Dit mag niet doorgaan. Die duivelse vrouw heeft pa verleid,’’ had Mateus met natte ogen en grote stelligheid geantwoord. Zonder er lang over nagedacht te hebben, had hij verteld dat hij mee wilde helpen om de minnares van vader op andere gedachten te brengen zodat de affaire voorbij zou zijn voordat moeder er achter zou zijn gekomen. Terug op zijn kamer was hij in tranen uitgebarsten nadat hij door de kier gezien had dat zijn vader oraal bevredigd werd.

De openingszet van de vernedering van de vrouw van wie ze de naam nog niet wisten, vond een paar weken later plaats toen Hennie de telefoon te pakken kreeg die zijn vader op tafel had laten liggen. Het adres van de enige vrouw die er met alleen voornaam in stond, was snel genoteerd. Devlin heette de bitch, waarschijnlijk niet haar echte naam. Het laatste ontbrekende puzzelstukje viel op zijn plaats.

Op de avond dat Devlin de voordeur opende en de haar onbekende jongen met zijn verkooppraatje aanhoorde, zag ze niet dat iemand achter zijn rug verborgen zat. Ze verzette zich niet toen ze door de onverwacht opduikende persoon in een houdgreep werd genomen. De grotere en sterkere Hennie propte een zakdoek in de mond van Devlin, bond het met een touw om haar hoofd vast, en fluisterde dat ze geen kik moest geven. Ten overvloede dreigde hij met een grote schaar. Nadat Mateus de handen van de kleinere Devlin op haar rug gebonden had, duwde hij haar richting auto. Terwijl Hennie haar in de gaten hield, reed Mateus een bos in. Takken met natte bladeren zwiepten, nadat ze uitgestapt waren, in hun gezichten. Onder hun voeten veerde een zompige bodem. De geur van vochtige aarde prikkelde hun neuzen. Bij een open plek aangekomen knipte Hennie in het licht van de maan de kleding van de heftig tegenstribbelende Devlin in stukken voordat hij en Mateus haar aan een boom bonden. Plotseling flitste een vlam op. Al flikkerend groeide het gloeiend schijnsel uit tot gloed die de omgeving spookachtig verlichtte. Onder gesmoord geschreeuw stroomde even later een straal kaarsvet op de huid van Devlin.

‘’Schreeuw maar zo veel je wilt, bitch. Hier hoort niemand je,’’ zei Hennie.
“Een stroper of een boswachter kan iets horen,’’ opperde Mateus.
‘’Hou toch op.”
‘’Gaat het?” vroeg Mateus aan Devlin.“Ze stelt zich aan, Mat,” siste Hennie tussen zijn lippen door. Hij legde uit dat het even pijn doet maar dat je na een tel al niets meer voelt. Devlin reageerde op Mateus’s vraag met onverstaanbare kreten.
“Oh, dat wist ik niet. Hoe weet jij dat?” vroeg Mateus aan Hennie.

“Eens op een feest gezien,” loog Hennie na een lange stilte. Dat hij zelf het lijdend voorwerp was geweest, vertelde hij niet. Laat staan dat hij de ontberingen noemde die hij ondergaan had en dat die de inspiratie voor de folteringen van die avond waren geweest. Alleen de martelingen die een zichtbaar spoor zouden hebben gegeven, had hij achterwege gelaten.
“Dit is voor wat je ma hebt aangedaan. Onze moeder, bitch, plak dat achter je bril. Die hufter zal je dat best eens verteld hebben,” zei Hennie. Weer bromde Devlin onverstaanbaar. In een poging te ontkomen aan het hete vet dat Hennie opnieuw op haar goot, kronkelde ze in de touwen die haar tegen de boom hielden.

Bij het kaarslicht duwde hij de repen stof opzij om zijn handen op de heupen van Devlin te plaatsen. Ondanks vergeefse kronkelingen gleden zijn nieuwgierige vingers over haar onderbuik. Bij de clitoris pauzeerden ze een moment om nadien hun weg omlaag vervolgen.
‘’Heeft ze haar?’’ vroeg Mateus. Hij kon niets zien maar begreep wat er gebeurde. Zijn eerste ervaring met iemand van het andere geslacht had zijn ridder gerecht.
‘’Ze is een kale kat, voel maar, zoals iedere vrouw van lichte zeden,’’ zei Hennie. De vingers van twee paar handen bespeelden schaamlippen en ontlokten Devlin een zacht gezucht. Wijs- en middelvinger van zijn linkerhand drukten de lippen open. De voorboden van een eruptie manifesteerden zich in zijn broek. Een ogenblik duwde hij de ringvinger van die hand tussen de lippen door om te ervaren hoe een vrouw voelde. Devlin kreunde licht en probeerde aan de tastende vingers te ontkomen.
‘’Je had natuurlijk gehoopt dat hij bij ma weg zou gaan. Nou, jij gaat bij hem weg. Duidelijk?’’, zei Mateus met het hoofd dicht bij dat van Devlin. De kreten waarmee Devlin probeerde te antwoorden, kon hij net als zijn broer niet verstaan. Devlin schudde wild het hoofd. Tegen Mateus die de doek uit de mond van Devlin wilde halen, riep Hennie:
“Stop! Niet doen. Laat dat in haar bek!”
“Ze wil iets zeggen!” reageerde Mateus.
“Jammer dan.’’

Onder het opbergen van het radeerwieltje dat hij uit moeder’s naaidoos gehaald had, zei Hennie tegen Devlin dat ze haar over ruim 24 uren zouden komen ophalen.
“Tot dan kun je over je zonde nadenken,” snauwde Mateus haar toe.

“Je hebt een geluk, bitch: hier komen weinig of geen mensen. O ja, Mat, ik zou het bijna vergeten: Mag ik de lipbalsem die je van ma gepikt heb?” vroeg Hennie. Nadat hij iets op de buik van Devlin had gezet, liepen de broers zwijgend naar hun auto. Het gehuil van Devlin stierf achter hen uit naarmate ze verder van haar vandaan kwamen. Nadat ze ingestapt waren, doorbrak Mateus als eerste de stilte:
‘’Mijn broek is nat geworden; ik kon er niets aan doen. Dit is anders dan op je telefoon. Hier heb je het niet in handen.’’
‘’Ik stond ook op springen, Mat,’’ antwoordde Hennie zijn broertje.
‘’Dat sta ik trouwens nog steeds’’ voegde hij daar even later aan toe.
‘’Hoe voelde die hoer van Babylon?’’ vroeg Mateus.
‘’Warm en zacht. Vochtig bij haar vrouwelijkheid. Ik kan pa wel begrijpen dat hij een moment van zwakheid had. Ik wilde ook wel,’’ bekende Hennie.
‘’Ik ook, maar dan zouden we net zo zondig zijn. Zullen we op de parkeerplaats stoppen? Er komt nu toch niemand langs die onze zonde kan zien,’’ zei Mateus.

Vlak nadat hij dat gezegd had, doemde het bord van de recreatieplaats op. Mateus minderde vaart en reed het door bomen omzoomde terrein op. Als eerste had Hennie zijn gulp open. Voordat de auto stilstond, liet hij een hand langs zijn schacht glijden. Nadat de wagen tot stilstand volgde wipte zijn broer zijn achterwerk omhoog om zijn broeken omlaag te schuiven.

In het duister, waarin ze, ondanks het maanlicht dat door de takken scheen, nauwelijks een hand voor ogen zagen, probeerden Hennie en Mateus op de tast de juiste boom terug te vinden. Mateus was blij dat hij nu trui, spijkerbroek en laarzen aan had. Uit de richting van Hennie klonken regelmatig kreten als hij met zijn blote benen met brandnetels in aanraking kwam. Van vochtige spinnenwebben hadden beiden last.
‘’Hier is het,” zei Mateus nadat ze een tijdje rondgescharreld hadden. Met trillende handen greep de licht bevende Mateus de onderarmen van Hennie en leidde die naar het silhouet aan een boom. De handen van Hennie raakten zachte huid. Hennie en Mateus hadden de boom teruggevonden waaraan ze Devlin hadden achtergelaten.
‘’Heb je je vermaakt, bitch?” vroeg Hennie aan Devlin. Een antwoord bleef uit.
“Ze kan toch niet antwoorden met volle mond!” reageerde Mateus verbouwereerd. Hennie liet zijn handen tussen de flarden kleding door over de kille huid van Devlin glijden. De ruwe vezels van het touw waarmee ze haar gebonden hadden, schuurden zijn vingers. Korsten van opgedroogd vet herinnerden aan de afgelopen avond. Bij het zachte vlees pauzeerden de tastende handen van Hennie een moment om die kort, en onzichtbaar voor Mateus, er om te vouwen. De koelte van de zachte tepels drong door tot de vingertoppen van Hennie.

“Ben je je tong verloren? Ik praat tegen je, bitch! Bitch?” Hennie spande de wijsvinger van zijn linkerhand en tikte er mee tegen een tepel van Devlin. De vingers van Hennie knepen nogmaals in het vlees voordat hij ze via de kille buik van Devlin omlaag liet glijden. Waar de buik een kuiltje vormde, voelde hij het koude staal van een piercing. Zijn hand daalde naar haar vrouwelijke zachtheid. Wat hem tegen hield om de hele vinger in de opening te stoppen, was niet de aanwezigheid van zijn jongere broer die toch niets kon zien maar de stroefheid en de weerstand die hij ondervond.

De warme bries die door het lichaam van Hennie waaide, was tijdens de strelende beweging aangegroeid tot een storm die tot orkaankracht toenam nadat hij de vrouwelijkheid had gevoeld. Rillingen liepen door hem heen toen hij zijn lid zich voelde rechten. De zinderende sensatie deed hem denken aan de keer dat hij zelf in een donkere kamer betast was. De hete kussen en de gefluisterde woorden hadden hem een gevoel van zaligheid gegeven. Tanden die wit oplichtten in het duister hadden het geheel een mysterieuze toon gegeven. Hij dacht aan de warme mannelijke lippen die zijn tepels hadden omsloten, het gekriebel van de likkende tongen, … Het geluid van een stem bracht hem weer in de realiteit.

Uit de verte klonk Mateus:“Ze beweegt niet. Ze zou toch niet …?”. De klank verried angst. Routinematig bracht Hennie een vinger onder de neus van Devlin.
“Godverdomme. Ze ademt niet. Maak haar los,” beval Hennie. Samen knoopten ze zo snel als ze konden de touwen los. Naarmate er meer losten begon Devlin zwaarder op hen te leunen totdat ze haar niet meer konden houden. Op het moment dat ze als een zak meel op de grond plofte, perste de laatste lucht uit haar longen.
“Je zus. Dat wilde ik helemaal niet,” jammerde Mateus.
“Je weet verdomme nog helemaal niets” bulderde Hennie. Hij zakte door zijn knieën om Devlin te reanimeren. Mateus telde hardop de keren dat Hennie afwissend zijn mond op die van Devlin zette en vijf keer haar borstbeen indrukte. Bij vijftig hield Mateus op.
“O God, wat moeten we nu? ” snotterde Mateus. Oogvocht schitterde in het licht van de laagstaande maan op het gezicht van Mateus. Snikken onderdrukkend vertelde hij dat over een uur de maan onder zou gaan en ze in het duister niets meer zouden zien. Een uur of twee later zou de ochtendschemering beginnen en zou iedereen haar kunnen zien liggen.
‘’Dat weet ik ook wel. Hou je kop, zodat ik kan nadenken,’’ zei Hennie geïrriteerd. In de stilte die volgde, zette Hennie de opties op een rij. Na een paar minuten vertelde hij dat het hem het beste leek om Devlin in de kofferbak te leggen, naar huis te rijden, en daar verder te zien.

Het volgende uur zeulden de jonge mannen met Devlin. Hun voortgang was langzaam omdat ze de sporen, die ze in de vochtige bodem gemaakt hadden, uitwisten. Mateus beklaagde zich regelmatig dat ze zo diep het bos in gegaan waren. Hij keek een paar keer naar de buik van Devlin, maar kon door het weinige licht niet ontdekken wat daar op stond.
“Wat had je op haar geschreven?” vroeg hij.
“Pijl getekend. Punt naar benden,” antwoordde Hennie kortaf. Even kortaf vertelde hij dat hij ‘zaad hier’ boven de pijl had geschreven.
“Is dat ook gebeurd?’’
“Weet ik niet. Het is te donker om eventuele resten te zien,” antwoordde Hennie. Met gepuf en gehijg, en zwetend als otters, bereikten de broers de auto. Met hun laatste krachten laadden ze de slappe Devlin in. De dageraad stond op het punt om aan te breken toen ze wegreden. In stilte vertrokken ze, ieder in hun eigen gedachten verzonken.

Nadat hij de auto de grote weg op gedraaid had, doorbrak Mateus met de mededeling dat Devlin eigenlijk veel te zwaar voor hen was het zwijgen.
“Je hebt gelijk. De zwaartekracht helpt niet mee,” antwoordde Hennie. Nerveus keek hij in de spiegels of ze niet gevolgd werden.
“Wat is je verdere plan?” piepte Mateus korte tijd later. Na een stilte zei Hennie met trillende stem:
“Als de bouwmarkt open is, rijden we daar naar toe om zagen en plastic te kopen. Tot dan gaan we slapen; pa en ma zullen denken dat we zijn wezen stappen. We zorgen dat we om een uur of twee vannacht in het bos terug zijn. Daar graven we een kuil. We zagen het lichaam in stukken en gooien de delen er in. Als we alles dicht en gecamoufleerd hebben, gaan we naar huis. Als onze ouders ons opmerken, zeggen we dat we in de stad uit geweest zijn.” Mateus zweeg om na te denken over wat hij gehoord had. Na een tijdje zei hij:
“Ok. Dat is inderdaad de beste oplossing. Maar toch hadden we het niet zo bedoeld. Bang maken, okay. Maar dit is wel een zware, nee, de ultieme straf voor haar zonde met pa.”
“De openlijke zonde, vergeet dat niet. Laatst deden ze het thuis, vergeet dat niet. Dat heb jij ook gezien. Ze mag hem ma niet meer laten bedriegen.”
“Nee, dat zal ze ook niet meer,” zei Mateus met brekende stem.
“Hou op met jeremiëren! Ik wou dit ook niet, het is niet anders,” antwoorde Hennie bits. Hij nam het vochtige gezicht van zijn broer in zijn handen, keek hem zo goed mogelijk strak in de ogen, en drukte hem op het hart de gebeurtenissen van de voorbije nachten onder hen te houden.

Een week later zaten Hennie en Mateus samen met hun moeder in de woonkamer. Somber staarde ze naar het tijdschrift waarin ze verdiept leek maar waaruit ze niets opnam. Hennie draaide elke minuut een pagina om van de detective die zijn aandacht opslokte. Zo af en toe fronste hij zijn wenkbrauwen of glimlachte om wat hij gelezen had. Met zijn korte broek, blote benen en T-shirt was hij het beste van het drietal voorbereid op de hitte die die dag nog zou komen. Onder het lezen trok hij zijn shirt op tot in zijn hals omdat zijn harige buik en borst jeukten.
‘’Niet doen, Hendrik. Ik wil niet dat iedereen je piercing ziet,’’ zei ze.
‘’Dat is toch mijn zaak!’’ reageerde Hennie.
‘’Niet in dit huis! Je weet hoe snel dat bij iedereen in dit dorp bekend is, en dat ik er op aangekeken wordt!’’ waarschuwde moeder.
‘’Mam, vanaf de straat kun je niet in de kamer kijken,’’ zei Mateus in een poging om de opgekomen irritatie te sussen. Dat lukte gedeeltelijk omdat zijn oudere broer wijselijk zweeg na het voor de zoveelste keer aanhoren van de afkeurende woorden, maar zijn moeder sloeg met een gezicht als een oorworm haar rok op alsof haar iets dwars bleef zitten. Een ogenblik was haar slip in de schaduw tussen haar dijen te zien. Snel bladerde ze een door paar bladzijden van haar tijdschrift zonder te lezen wat haar onder ogen kwam.
‘’Nog een bakkie?’’ vroeg Mateus in een poging om de spanning definitief te breken. De anderen knikten.
‘’Graag, lieverd,’’ antwoordde ze haar jongste. Hennie, die niet opkeek uit zijn boek, knikte.

Na een paar minuten boog Mateus voorover om het dienblad met drie geurende bakjes neer te zetten. Hennie haalde zijn voeten weg. Hij en zijn moeder hadden geen aandacht voor de inkijk die Mateus in zijn overhemd gunde.
“Mam, wat is er? Je kijkt zo somber,” vroeg Mateus toen hij haar d’r kopje aanreikte.
“Pa is verdrietig omdat hij al een tijdje niets gehoord heeft van een vriendin van ons. Ik ben dat ook.” Hennie keek op uit het boek waarin hij verdiept was. Met rood wordende hoofden en open vallende monden keken Hennie en Mateus elkaar in stilte strak aan. Tot hun verbazing legde ze uit dat het een vriendin van hun beide was. De ogen waarmee Hennie en Mateus elkaar, hun moeder en weer elkaar aanstaarden, werden groter. Met open monden en wijd open gesperde ogen, gaapten ze hun moeder aan. Mateus was tot in zijn nek en schouders gekleurd. Hij was de eerste die hun zwijgen doorbrak:
“Maar ma, dat heb je nooit verteld!”

Dit verhaal schreef ik voor het EWA Thema van september 2017 ‘Crime Passionnel’. Het is geïnspireerd door de zaak ‘Murder of Nikki Whitehead’ en de film ‘Bad Timing’, hoewel elke verdere overeenkomst daar mee ontbreekt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *